Vreemde trots

Ik heb nooit zo veel waarde gehecht aan ‘diagnoses’, anders dan dat het een mogelijkheid biedt tot communicatie en behandeling. Nu ben ik wel ‘blij’ dat we de ‘vermijdende persoonlijkheidsstoornis’ tot ‘hoofddiagnose’ kunnen bombarderen in plaats van de ‘depressie’.

Mijn psycholoog verhuist van de afdeling Depressie naar de afdeling Persoonlijkheidsstoornissen. Ik ben enorm dankbaar dat ik met haar mee mag verhuizen. Ik had het (nog) niet aangekund om van psycholoog te veranderen. In het verleden heb ik al vaak van behandelaar moeten wisselen. Elke keer moest ik opnieuw uitleggen hoe ik in elkaar zit en bleek de duur van de behandelrelatie steeds te kort om tot de kern te komen. De afgelopen 1,5 jaar hebben we een therapeutische band opgebouwd, waarin zij mij de ‘goede vragen’ stelt en we zo samen tot de kern van mijn hersenspinsels komen. Ik loop niet meer tegen de frustratie (en onbegrip) aan dat ik de trucjes beheers, maar mijn stemming niet beter wordt. Ik durf haar steeds vaker mijn gedachtekronkels uit te leggen. In praktijk verandert er weinig, ik blijf haar ongeveer één keer per week zien. Ik krijg wel een nieuwe psychiater. Met haar maakte ik deze week kennis.

Ik vertelde mijn nieuwe psychiater, dat ik vrijwel het gehele depressieprotocol heb doorlopen. Ze vroeg me of ik ook de MAO-remmers gehad had. Toen ik bevestigend antwoordde, vroeg ze me “dan heb je zeker nog geen ECTs (electroshocks) gehad?”. Toen ik ook hier bevestigend op antwoordde, zag ik lichte verbazing bij haar en ervaarde ik een vreemd gevoel van trots. Trots, dat ik het protocol af had. Trots, dat ik alles geslikt had wat ik moest proberen.

De afgelopen 6 jaar heb ik met flinke tussenpauzen verschillende antidepressiva geslikt. Nu hoef ik nooit meer de zware druk van mijn omgeving te ervaren om toch nog maar een ander medicijn uit te proberen. Het voelde alsof ik een proefkonijn was. Van elk medicijn had ik behoorlijk veel last van de bijwerkingen. Vooral de bloeddrukdalingen waren vreselijk. Ik ervaarde veel druk van mijn omgeving om die bijwerkingen ‘maar te verdragen’ en me te richten op de hoop dat dit medicijn wel zou werken. Ik voelde geen positieve effecten van de medicatie. Ik had wel eens periodes dat ik mij minder slecht voelde, maar dat had ik ook als ik geen medicatie gebruikte. Er was geen link te leggen tussen het gebruik van antidepressiva en mijn stemming.

Ik heb lang gedacht dat ik wel de positieve effecten zou moeten voelen, maar het niet wílde voelen. Dat ik niet genoeg mijn best deed om te voelen dat het werkte. Ik voelde het niet. Ik vond dat ik faalde. Ik stelde mijn omgeving teleur. Want ik zou iets moeten voelen, maar ik merkte niets. Totdat ik een psychiater trof, die mij vertelde dat ik zélf écht verschil zou merken. Toen voelde ik mij wat geruster en gesteund als ik aarzelend vertelde dat ik wéér niets merkte van de medicatie.

Ik had gehoopt dat mijn nieuwe psychiater nog een vorm van slaapmedicatie kon verzinnen en ik had gehoopt dat zij iets kon geven tegen de vage vorm van “jeuk” die ik nog steeds ervaar. Vooral voor het slapen gaan is dat behoorlijk irritant. Soms lijkt het alsof er mieren over mijn huid lopen, die dan ook nog eens gemeen steken. Bij zo’n “steek” trekt mijn hele lijf dan samen als in een soort spierkramp. De psychiater had hier nog wel een filosofie over. Ze dacht dat dit mogelijk een manier van mijn lijf is om met spanning om te gaan. Interessant uitgangspunt. Misschien klopt het ook wel. Ik ervaar het meeste last als ik ‘ontspannen’ ben en geen afleiding heb. Bijvoorbeeld, liggend op de bank, naar een niet al te boeiend TV-programma kijkend en ’s avonds in bed.

Geen nieuwe (slaap)medicatie, wel een nieuw inzicht.

Home

Een kritisch onderzoek

Afgelopen week mocht ik kritiek geven op een voorstel voor een subsidieaanvraag. Ik voelde mij vereerd dat de onderzoeker hierbij aan mij, als ervaringsdeskundige, dacht. Ik vond het ook vreselijk lastig om kritiek te geven op het voorstel. Nog lastiger daarbij vond ik, dat ik de onderzoeker ken. Kritiek heeft voor mij een negatieve lading. Ik las haar mail nog eens terug. Ze vroeg zij mij om ‘commentaar’ te geven. Het woord ‘commentaar’ klinkt al een stuk minder negatief dan het woord ‘kritiek’. Dit kon ik wel, ik begon te lezen.

Ik vroeg mij een dag later af waarom ik het nu zo verschrikkelijk lastig vind om kritiek (ik hou het nog even bij het negatieve woord) te geven. Na enige soul-searching kwam ik erachter dat ik het zelf vooral lastig vind om kritiek te ontvangen. Vanuit mijn perspectief is het logisch dat een ander, kritiek ontvangen óók als negatief ervaart.

Voor mij is het een wonderlijke ervaring als de onderzoeker mij zegt, oprecht blij te zijn met mijn kritiek. Ik vind het moeilijk te geloven dat de ander dat positief kan ervaren. Diep van binnen, vertrouw ik de ander dus blijkbaar niet voldoende op haar woord. Eigenlijk zeg ik dan dat ze liegt. Tegelijkertijd weet ik (rationeel) dat ze niet liegt. Het vertrouwen is er dus wél, het ongeloof blijft.

Ik ervaar kritiek als een aanval op mij persoonlijk. Het kwam niet bij mij op dat een ander dat totaal anders kan ervaren. Blijkbaar kunnen anderen kritiek op werk (of gedrag) los zien van kritiek op hun persoon.

Ik doe alles om kritiek te vermijden. Dat leidt er toe dat ik een perfectionist ben. Als ik een opzet voor een rapport moet schrijven, zorg ik dat het er perfect uit ziet. Er staan geen spelfouten in, de zinnen zijn volledig, de lay-out is tip tip in orde. Alle mogelijke vragen en daarbij behorende antwoorden, worden ondervangen in het rapport. Kortom het document lijkt dan in niets op het resultaat van een eerste opzet. Rationeel weet ik dat perfectie niet bestaat, er komt altijd kritiek. Door mijn manier van denken maak ik mijzelf juist kwetsbaarder en gevoeliger voor kritiek.

Kritiek ontvangen, staat voor mij gelijk aan falen. Ik word dan geconfronteerd met (bijvoorbeeld) een vraag, die ik niet had voorzien. Ik heb mijn werk niet goed gedaan. Ik had die vraag moeten voorzien en moeten beantwoorden. Dan had ik ook geen kritiek ontvangen.
Ik ga er hierbij dan gemakshalve vanuit dat ik de gave heb om in andermans hoofd te kijken. Een volgende keer voeg ik het ontvangen kritiekpunt toe aan mijn (inmiddels lange) back-up lijst met kritiek. Ik zorg dat ik deze fout niet meer maak. Een volgende keer ben ik nog langer bezig om mijn stuk perfect op te leveren en nog kwetsbaarder voor kritiek.

Doordat ik kritiek op mijn werk (of gedrag) niet los kan zien van kritiek op mijn persoon, komt kritiek dubbel hard aan en ervaar ik altijd een gevoel van falen. Zeker als men dan besluit het project totaal over een andere boeg te gooien. Dan word ik boos. Had men dat mij niet eerder kunnen vertellen? Nu heb ik het fout gedaan, maar daar kan ik niets aan doen, want ‘jullie’ veranderen de regels van het spel. Ik voel alsof mij onrecht is aangedaan. Ik ervaar een enorm schuldgevoel, terwijl het niet mijn schuld/fout is. Ik vlieg vol in de weerstand, ga zitten mokken en schrijf uiteindelijk het stuk opnieuw. Met de nieuwe richtlijnen, weer perfectionistisch. Weer kwetsbaar voor kritiek.

Soms krijg ik zo genoeg van druk die ik hiermee mijzelf opleg, dat ik onder presteer of juist iets veel te moeilijks probeer. Bij het klimmen in de klimhal koos ik, soms expres een (te) makkelijke route uit, omdat ik dan zeker wist dat ik in één keer boven zou komen. Soms koos ik juist expres een veel te moeilijke route uit. Dan wist ik zeker dat ik (en anderen) niet van mij konden verwachten dat ik in één keer boven zou komen, dat was fysiek gewoon onmogelijk. Dat gaf rust, want dan kon ik (letterlijk) vallen en weer verder klimmen, zonder dat ik het vallen als falen zag.

Van de week gaf ik zelf kritiek op een onderzoeksopzet. Mijn kritiekpunt was eigenlijk dat de onderzoeksopzet 180 graden gedraaid moest worden. Ik voelde me vreselijk dat ik dit op ‘moest’ schrijven. Ik besloot het wél te doen. Ik moet tenslotte oefenen met (voor mij) tegen natuurlijk gedrag. Ik werd tenslotte uitgenodigd om mijn mening te geven. Ik drukte op “verzenden” in mijn mailbox en wachtte met samengeknepen billen op de reactie.

Ik was bang dat de onderzoeker boos op mij zou worden. Boos op mij, omdat ik eigenlijk zei dat ze het verkeerd aanpakte. In ‘mijn’ beleving zei ik eigenlijk tegen haar dat ze als mens niet deugde… Mijn rationele hoofd zei wel, dat deze conclusie niet klopt. Ze deugt zeker als mens. Ik vond alleen dat de onderzoeksopzet vanuit de verkeerde kant benaderd werd. Ik had kritiek op het werk, niet op de persoon. Ik kwam tot rust.

Haar reactie kwam, ze leek niet boos. Ze gaf aan dat ik met mijn reactie precies de pijnpunten van het voorstel blootlegde. Ik voelde een enorm gevoel van opluchting. Ik kreeg bevestiging. Ik had het ‘goed’ gezien. Ze was niet boos op mij. Later kwamen we elkaar toevallig in de wandelgangen tegen. Uit niets bleek dat ze boos op mij was, haar mimiek en woorden gaven nog steeds aan dat ze blij met mij reactie was.

Wonderlijk
Onwerkelijk
Ongelofelijk

Home

Woordzoeker

Met het waakritme zit het wel snor, zo bleek deze week maar weer eens. Om mijn slaap/waak-ritme niet te verstoren, ga ik zoveel mogelijk rond dezelfde tijd naar bed en sta ik ook weer rond dezelfde tijd op. Hoe veel of weinig ik ook geslapen heb. Hoe moe of wakker ik ook ben.

Zo als gewoonlijk dook ik rond 23:30 mijn bed in. Vol verwachting. Mijn kamer was lekker fris, mijn bed lonkte. Moe, dus het zou wel goed komen met dat slapen vanavond. Na diverse uren van keren, draaien, snoozen, even een slokje water drinken, muziek luisteren, even naar het toilet, sliep ik nog altijd niet. Ik probeerde rustig te blijven, ik deed ademhalingsoefeningen, ik probeerde uit alle macht de paniek niet toe te laten.
Ik wilde niet weer een slaappil nemen met het risico dat die niet zou werken. Ik kon die teleurstelling er niet bij hebben. Om 3:30 dronk ik een beker hete melk met honing en maakte ik woordzoekerpuzzels. Drie woordzoekers later, dook ik weer mijn bed in en viel eindelijk in slaap.

Zo als gewoonlijk ging de wekker om 8:00 uur. Opstaan vergde een enorme wilskracht. Ik besloot niet te hard te zijn voor mezelf en nog een keer of twee (of drie…) te snoozen voor ik opstond. Ik lag niet relaxt. In mijn achterhoofd klonk een zeurderig stemmetje: “Je moet opstaan, anders verknal je je ritme!”.

Ik had die dag geen afspraken staan. Dat was mooi. Geen druk om iets te moeten presteren. Geen afspraken hebben is ook lastig. Lastig om de vele uren die de dag telt door te komen. Mijn hoofd bleef in de suffe, dikke watten modus staan. Ik doodde de tijd met wat TV kijken, een boek lezen, nog een beker thee maken, de concentratie was ver te zoeken. Onrust.

Ik ervaarde wat paniek: “er zitten nog zoveel uren in vandaag, hoe kom ik die door en hoe gaat dan de komende nacht zijn?” Ik ging terug naar mijn ‘survivalmodus’, stap-voor-stap. Minuut-voor-minuut, als het nodig is. Eerst thee met een vriendin. Dan avondeten maken. Dan de hond uitlaten. Dan bijkletsen met een vriendin en dan hopelijk De Slaap.

Ik besloot eerst een rondje te gaan rennen. Ik had mijn hardloopkleren al vast aangetrokken die ochtend. Ik zag niet zozeer op tegen het rennen zelf, ik zag op tegen de klus van douchen en omkleden na afloop. Net voordat ik de deur uit ging, schenen er een paar zonnestralen. “Zon” maakt in actie komen makkelijker. Misschien werd het toch een makkelijke dag. Net toen ik buiten stond begon het te druppelen en te waaien. Direct vervloog mijn hoop op een makkelijke dag. Ik ging toch, besloot ik. Misschien zou de wind, de mist in mijn hoofd doen verwaaien. Het zou in ieder geval een uur van deze dag vullen.

Ik concentreerde mij op mijn ademhaling, bleef rennen en probeerde zo rustiger te worden.

Teruggekomen overwoog ik het douchen uit te stellen tot de avond. Maar ik kreeg het koud en had met een vriendin afgesproken voor een bakkie thee. Dat spoorde mij aan om toch te gaan douchen. Weer een ‘klus’ gedaan en weer een half uurtje verder in de dag. Ik voelde geen voldoening of trots. Ik had simpelweg een klus van mijn ‘to-do-list’ kunnen strepen. Op naar de volgende klus.

Mijn lijf was onrustig die middag. Ik had al ‘zoveel klussen’ gedaan die dag en nog was het pas 17:00 uur. Mijn lijf kriebelde, gaf elektrische schokken af toen ik op de bank bij lag te komen, terwijl ik naar muziek probeerde te luisteren. Een middagdutje is geen optie (‘dat verknalt je slaap/waak-ritme’), muziek luisteren is een compromis. Ik vroeg me paniekerig af, als mijn lijf nu al zo jeukerig is, dan beloofd dat weinig goeds voor de komende nacht. Weer die angst. De angst om weer een nacht half wakker door te moeten. De angst om weer in de negatieve spiraal te belanden. Ik wilde janken, werd boos op mijzelf, op mijn lijf, op de wereld. Ik huilde niet. Ik vond dat ik mijzelf niet mocht laten meeslepen door de boosheid, dat ik mij niet mocht verdrinken in zelfmedelijden.

Uiteindelijk zou ook deze dag voorbij gaan.
Uiteindelijk zou ik ook deze dag overleven.
Uiteindelijk komt De Slaap wel weer.

Ik kan dit.
Ik heb het al vaak gedaan.

Home

Golfsurfen

“Doe je ogen maar dicht”, zei ze. Ik durfde niet. Bang was ik. Bang dat, als ik mijn ogen dicht zou doen, er weer een onaangename verassing zou volgen. Ik zat bij mijn psycholoog, in de spreekkamer, waar ik al talloze keren geweest ben. Waar ik diverse malen wél mijn ogen dicht heb gedaan, tijdens een oefening. Ik gaf mijzelf op mijn kop. Ik moest mij niet aanstellen. Gewoon mijn ogen dicht doen en meewerken aan de ‘rescripting-oefening’. “Het is goed”, zei de psycholoog. “Je hoeft jouw ogen niet dicht te doen, we vinden wel een andere manier”.

Ik had twee weken vol emotie achter de rug. De ene nare verassing volgde op de ander, juist terwijl ik dacht mijn leven weer wat te kunnen leven. Emoties komen als golven. Hoge, woeste, golven, waarbij ik niet op mijn surfplank kan blijven staan.

Mijn stemming is mat, niets is leuk, mijn trots is weg. Ik doe wat ik moet doen. Ik zit in de overlevingsmodus. Opeens ben ik ‘onverklaarbaar’ verdrietig en moe. Ik heb huilbuien. Ik val niet in slaap, of ik val wel in slaap en word vaak wakker. Het wordt moeilijker de dingen te blijven doen, ik zeg afspraken af, ik stel mijzelf teleur. Ik stel anderen teleur. Ik ga kopje onder.

Opeens vertelde ik mijn psycholoog dat ik de laatste tijd vaak met een nachtlampje aan slaap. Dat ik bang ben ’s nachts. Dat ik wel eens wakker word en het gevoel heb dat er iemand in de kamer staat. Ik schaamde me dood, ik durfde haar niet meer aan te kijken. Ik voelde me net een klein kind. Ze zegt me, dat ik juist prima voor mezelf zorg, door wél een lampje aan te laten. Als dit mij wat minder bang maakt, is dat goed, niet kinderachtig, gewoon goed.

Ik moest terugdenken aan een ervaring die ik had toen ik nog een klein meisje was. Ik wist zeker dat ik een oud mannetje op een schommeltje in mijn dakraampje zag zitten. Met een hoge hoed en een sigaar, een gerimpeld opaatje. Ik werd er bang van. Ik riep mijn moeder. Mijn moeder kwam en het mannetje verdween. Totdat mijn moeder weer wegging, dan kwam het mannetje terug. Ik heb mijn moeder een paar keer geroepen, het mannetje bleef terugkomen als zij wegging. Tenslotte zei het mannetje: “Ik ga nu weg, maar ik kom een keer terug”. Nachtenlang was bang, dat hij weer terug kwam. Hij is nooit teruggekomen, maar ik moet er nu (zo’n 35 jaar later) nog wel eens aan denken als ik ’s nachts bang wakker word.

Ik vertelde mijn psycholoog, tussen de tranen door, dat ik niet weet hoe ik op de golven moet surfen. Ik weet dat ik moet blijven wachten, tot de golven wat rustiger worden, dan kan ik weer op de plank blijven staan. Tot die tijd moet ik mij blijven vasthouden aan mijn plank. Ik heb het geduld niet om te wachten. Ik ben bang. Het gevoel van bijna kopje ondergaan is zo ontzettend beangstigend. Elke keer als een golf mij overspoelt, ben ik bang dat ik deze keer niet meer bovenkom.

We besluiten toch de rescripting-oefening te doen. Ik doe mijn ogen niet dicht, maar kijk naar de grond. De psycholoog vraagt me terug te gaan, naar een moment waarop ik als kind verdrietig was. “In gedachten ga ik terug naar het kind dat ik was, verdrietig liggend op mijn bed. De psycholoog vraagt me voor te stellen dat een vriendin de deur van mijn kamer open doet en naast mij op het bed komt zitten. De vriendin houdt me vast. Troost mij, zonder woorden. De tranen blijven stromen, na een kort moment van rust, neemt de hevigheid van de huilbui toe, uiteindelijk drogen de tranen op. De vriendin neemt me bij de hand, we gaan naar buiten, pakken de fietsen en gaan een flink eind tegen de wind over de dijk fietsen. Onze haren wapperen er op los, we voelen de wind in ons gezicht.“

Ik neem mezelf voor, om deze oefening te doen als ik me weer overvallen voel worden door verdriet. Overvallen door oud zeer, getriggerd door een situatie die ik niet zie aankomen. Ik kom die nacht niet in slaap en besluit toch een slaappil te nemen. Het nachtlampje blijft aan. Na een paar uur word ik de volgende ochtend vroeg wakker. Ik voel dat het verdriet minder is.

De golven zijn rustiger.

Home

Bijzondere ontmoeting

Ik zat in de trein. In Den Bosch stapte een oudere meneer in, met zijn koffers, en ging naast mij zitten. Ik was verdiept in mijn boek. Nadat ik mijn boek uit had, vroeg ik waar hij heen ging en we raakte in gesprek.

Hij vertelde mij dat hij op “Kunstreis naar Bulgarije” ging. Ik kon zijn relaas over ‘de kunst’ niet helemaal volgen, duidelijk was wel dat hij enthousiast en gepassioneerd was.

Later vroeg ik hem wat hij gestudeerd had. Hij antwoordde dat hij “rechten” gestudeerd had. Ik vond hem er niet uitzien als een ‘advocaat’, meer als een ‘rechter’. Ik vroeg verder naar zijn loopbaan. Enthousiast begon hij te vertellen:

Hij was begonnen op het Ministerie van Landbouw, had gewerkt bij DAF en vervolgens was hij Officier van Justitie geworden en had zijn loopbaan op 70-jarige! leeftijd afgesloten als…. rechter.

Ik keek eens uit het raam. En zag een prachtige volledige regenboog. Ik wees de meneer erop. Hij vertelde dat hij wel eens een dubbele regenboog had gezien. We kletste verder.

Hij vertelde dat hij vroeger vaak met de trein naar zijn werk ging, ook al had hij een auto met chauffeur. De chauffeur woonde in Den Haag, hij in Den Bosch en zijn werk was in Amsterdam, dus de heenreis deed hij met de trein. Terug bracht de chauffeur hem wel thuis. Daar kreeg de chauffeur een bakkie koffie en wat boterhammen van zijn vrouw. Ik was ontroerd door de zorgzaamheid die hij voor zijn chauffeur toonde.

Ik keek nog eens naar buiten (ergens tussen Utrecht en Amsterdam) en zag: een dubbele regenboog! Ik wees de meneer erop. Hij zei dat sommige mensen de regenboog zien als een verbinding tussen God en de mensheid. Ik dacht er over na. Een verbinding tussen hemel en aarde in letterlijke zin. Eigenlijk wel mooier dan de pot goud.

Hoewel, ik vond mijn pot goud. Ik stapte de trein uit met een glimlach op mijn gezicht. Dankbaar voor de ontmoeting.

Dank u wel, meneer!

Gezicht

Je zit tegenover mij aan tafel en ik bestudeer je gezicht. Jouw gezicht toont een open, vriendelijke rustige blik. Jouw gezicht heeft een gezonde bruine kleur van de zon. Je draagt geen make-up. Je verbergt je imperfecties niet. Je benadrukt de perfecties niet.

Je neus is recht, met een klein bobbeltje boven op. Je neus geniet van het ruiken van vers gebakken brood, van de geur van gemaaid gras en de lucht van net gevallen regen. Je trekt je neus op voor de geur van pindasaus en voor mensen waar een luchtje aan zit.

Je oren staan recht ten opzichte van elkaar. Niet te ver naar voren en ook niet te ver naar achteren gericht. Op je oorlellen zijn dichtgegroeide gaatjes nog zichtbaar. Van de oorbellen die jouw oren droegen, toen je 10 jaar was. Je oren laten de muziek van Ludovice Einaudi naar binnen. De muziek die je hoofd en lijf vult. Jouw oren luisteren geduldig naar de mensen om je heen. Jouw oren horen wat er gezegd wordt. Jouw oren luisteren ook naar wat er niet gezegd wordt.

Je mond staat neutraal en toont, rechtsboven, een klein litteken van een koortslip. Jouw mond geniet van de smaak van melkchocolade, met zeezout, smeltend op je tong. Jouw lippen voelen nog de eerste zijden zachte kus die je kreeg. Jouw mond, waar zo vaak geen geluid uit komt. Jouw mond, die wil spreken, kan spreken, maar niet durft te spreken.

Je ogen zijn grijs/blauw. Je bent gezegend met mooie lange zwarte wimpers en brede wenkbrauwen. Jouw ogen kijken graag naar de blauwe lucht, het zilte strand en de grijs blauwe zee. Jouw ogen laten zich moeilijk vangen. Je ogen kijken weg. Je ogen schieten heen en weer, alert. Jouw ogen zijn dof. Jouw ogen zien het leven nu niet. In de rechterhoek van je linkeroog blinkt een traan. De traan druppelt langs je neus, langs de kleine bobbel naar beneden. Je huid van je wangen wordt rood en vlekkerig naar mate er meer tranen uit je linker- en rechteroog volgen.

Je doffe blik verdwijnt. Jouw ogen openen de weg naar je ziel. Je ogen laten jou zien. Jouw ogen gunnen andere ogen een blik in jou. Eventjes zien jouw ogen en kijken ze niet alleen.

Jouw gezicht, dat wat roder wordt door de warmte van de zon. De glimlach die je mond aarzelend vormt. De twinkeling in je ogen, die even zichtbaar wordt. Het geluid van kwetterende vogels die je oren horen. De lucht van het leven die je neus ruikt.

Wat een mooi gezicht.

Home

Helpen is niets doen, ontvangen is niets doen

Ik ben wanhopig
Ik wil niet teleurstellen
Ik durf niet te vragen

Ik kan wel zélf koken
Ik kan wel zélf wandelen
Ik kan wel zélf overleven

Ik kan het wél alleen

Bang voor de afwijzing
Bang voor de rekening
Bang voor de teleurstelling

Bang dat ik jou een rotgevoel bezorg
Bang dat ik jou nog machtelozer maak

Ik sluit mij af
Ik verstop me
Ik trek me terug
Ik stoot je af

Helpen is niets doen
Geven, zonder vragen
Ontvangen is niets doen
Accepteren, zonder geven

Ik wil een knuffel
Ik kan het níet alleen

Ik krijg een knuffel
Ik accepteer een knuffel

Ik ben niet alleen

Home

Afscheid van een vriend

Ik leerde je kennen in de zomer van 2001, in Italië aan het Gardameer.
Ik was meteen verliefd op jou.
We brachten zoveel mogelijk tijd met elkaar door.
Samen buiten in de natuur op vakanties of binnen in jouw woonplaats.
Ik leerde je steeds beter kennen.
Ik zag je in onze hoogtijdagen wel vier keer per week.
We waren trouwe trainingsmaatjes.

Soms verraste je me, met een moeilijk probleem.
Dan beet ik me in je vast.
Dan droomde ik ’s nachts van je.
Dan zag ik je vormen overdag overal, in muurtjes, in gebouwen, op straat.
Dan probeerde ik steeds opnieuw een oplossing ter verzinnen,
je even iets zachter of juist harder vast te houden,
de positie van mijn handen of voeten aan te passen,
net zolang tot ik jouw probleem had opgelost.

Je leerde me een hoop.
Over doorzetten en niet opgeven.
Over vallen en weer opstaan.
Over steeds maar weer opnieuw beginnen.
Over onverwachte successen.
Over onverwachte mislukkingen.

Je maakte me sterker als ik me sterk voelde.
Je gaf me een doel.
Je zag me ook als ik het zwaar had, meestal was ik dan bang voor je.
Toch bleef ik je ook in zware tijden opzoeken.
In de hoop dat ik de angst kon overwinnen.
In de hoop dat het goede gevoel weer terug kwam.
Dat we weer samen konden bewegen alsof we dansten, in een flow.
Dat we samen weer een probleem konden oplossen.
Dat we samen succes konden vieren, ook al was de blijdschap van korte duur.

Gisteravond kwam het besef dat ik je voor de laatste keer bezocht.
Ik probeerde, na je ruim 6 maanden niet te hebben gezien, nog één keer met je in gesprek te komen.
Het gevoel was als vanouds.
We dansten even samen.
Ik voelde je flow.
Je voelde vertrouwd.

Toch besluit ik nu afscheid van je te nemen.

Het doet me teveel pijn in mijn lijf,
om je aan te raken,
om me aan je op te trekken,
om je vast te houden.

Mijn vingers laten zich niet meer belasten,
mijn schouder laat zich niet meer uitstrekken,
mijn been wil zich niet meer bewegen, zoals jij van mij vraagt.

Ik heb tranen gelaten, mijn besluit staat vast.

Ik kom je vast nog eens opzoeken.
Om een kopje koffie te drinken.
Om naar je te kijken.
Om je nog toch nog even te voelen.

Ik ben je dankbaar voor alle mooie momenten die we samen hebben beleefd.

Dag lieve klimroute.

Dag klimhal.

Dag.

Home

Als je lijf je fopt

Het was een vrijdagmiddag. Ik zat in de bus naar Haarlem. Het was snikheet buiten en ijskoud in de bus. Ik volgde een middag cursus over “Lesgeven in groepen”. Ter voorbereiding op het begeleiden van de Herstelgroep Depressie die ik in het najaar mag starten. Ik was niet zenuwachtig, ik was niet gespannen. Ik keek uit naar de behandeling van mijn vraag: “hoe ga ik om met sterk aanwezige persoonlijkheden of juist stille mensen in de groep”, met andere woorden “hoe geef ik iedereen voldoende aandacht?”.

Voordat de cursus begon, ontmoette ik de andere deelnemers tijdens het wachten. Prettige mensen, ik voelde me op mijn gemak. De cursus begon en het voorstelrondje startte. Ontspannen luisterde ik naar het voorstellen en de vragen van de andere deelnemers. Ik nam mijn beurt en stelde me voor.

Mijn lijf schoot in de paniekstand. Ik kreeg het warm. Een stripfiguurtje in een tekenfilm, zou van beneden tot boven langzaam knalrood gekleurd zijn, terwijl het in een groeiend plasje zweet stond. Ik praatte door. In een split second vroeg ik mij af wat er nu gebeurde en vooral waarom. Deze reactie had ik lange tijd niet meer gehad. Ik schrok ervan. De volgende split second stelde ik mijzelf gerust. Paniek was niet nodig. Het was een prettige groep en ik was hier voor mijzelf. Geen prestatiedruk. De paniek trok wat weg. Ik maakte mijn 2 minuten praatje af.

Mijn lijf reageerde sterk, ik had dat niet verwacht. Ik voelde me overvallen, onprettig verrast. Mijn lijf herinnerde zich duidelijk nog alle onprettige trainingen en cursussen die ik tijdens mijn loopbaan als accountant gevolgd heb. Altijd was ik vooraf en tijdens zo’n training erg gespannen. Bang om mij voor te stellen. Bang voor de vraag, waar ik het antwoord niet op zou weten. Bang om dom gevonden te worden. Bang om uitgelachen te worden. Bang om te falen. Altijd bang. Altijd spanning. Dagen van tevoren al. Nu was de uitgangssituatie totaal anders. Geen druk, geen spanning vooraf.

Ik waande me veilig
Mijn lijf viel mij in de rug aan
Ik waande me veilig
Ik voelde me vrij
Ik waande me veilig
Moet ik een volgende keer weer alert zijn?
Ik waande me veilig
Zal ik maar niet meer gaan?
Ik waande me veilig
Komen lijf en hoofd ooit weer in balans?
Ik waande me veilig
Kan ik er op vertrouwen dat emoties komen en gaan?
Ik waande me veilig

Home

Van broodje kennis tot tweede kamer

In april 2017 startte ik met gesprekken met een arbeidsdeskundige. Mijn groepstherapie was afgelopen en mijn individueel therapeut ging naar een andere plek. Zij dacht dat het tijd was, dat ik weer aan het werk ging. Ik voelde me opgejaagd en onrustig. Aangekomen bij de arbeidsdeskundige gaf zij aan dat ze de ‘opdracht’ gekregen had mij binnen een week of zes te helpen. Ik voelde erg veel druk. Moest ik hier nu ook al weer weg, omdat de groepstherapie was afgelopen? Ik voelde me wanhopig, machteloos en depressief. Samen met de arbeidsdeskundige zocht ik naar wat ik zou kunnen en willen. Ik huilde bijna elke sessie, ik wist gewoonweg niet wat ik wilde. Ik wist wel dat ik me nog steeds enorm depressief voelde. Na een paar sessies kwamen we samen tot de conclusie dat het nog te vroeg was om terug naar een concrete baan te gaan. Zij gaf mij de tip om de cursus “Werken met Eigen Ervaring” te gaan volgen. Een laagdrempelige cursus van twaalf wekelijkse bijeenkomsten.

Ik besloot de cursus te gaan volgen. Het gaf mij voor één middag per week dagbesteding en misschien zou de cursus mij wat richting geven. Ik kwam terecht in een prettige groep, ieder met zijn eigen psychische kwetsbaarheid. Belangrijk was dat ik daar gewoon met mijn depressieve hoofd mocht zijn. Als ik even niet actief mee kon of wilde doen, was dat prima, dan mocht ik gewoon luisteren.

In de laatste lessen vertelde elke deelnemer zijn/haar ervaringsverhaal. De vorm was vrij, de enige beperking was, dat het in een minuut of tien moest passen. Ik koos ervoor mijn verhaal te vertellen met behulp van een PowerPointpresentatie met klimfoto’s. Het voelde enorm bevrijdend om vrijuit mijn verhaal te kunnen vertellen. Ik vertelde waar ik last van had, ik vertelde hoe ik depressief zijn ervaar. Ik vertelde hoe hoop en wanhoop zich afwisselde. In december 2017 vierde ik met de groep de diploma-uitreiking met kerstkransjes en Jip & Janneke champagne.

Ik liet mijn therapeuten mijn presentatie zien en horen. Het maakte indruk op hen. Ik voelde me gezien en gehoord. Mijn therapeute nodigde mij uit om tijdens hun maandelijkse lunchbijeenkomst “Broodje Kennis” mijn ervaringsverhaal te vertellen. Ik vond het heel spannend, maar besloot op haar uitnodiging in te gaan.
Het was een ontzettend mooie ervaring. De behandelaren waren onder de indruk van mijn verhaal. Er kwam een discussie op gang omtrent euthanasie. Er werd om mijn mening gevraagd en die mening werd vervolgens ook nog gerespecteerd en als advies ter harte genomen.

Vervolgens startte er een kettingreactie. Uit de ‘Broodje-Kennis-groep’ volgden meer uitnodigingen. Ik mocht spreken voor cliënten, voor behandelaren, ik mocht o.a. spreken tijdens een gastcollege op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Elke keer ontving ik positieve reacties. Ik raakte mensen met mijn verhaal. Ik gaf mensen een kader, herkenning en bood ruimte voor hun vragen.

Op een vrijdagmiddag in juni 2018, kwam er een uitnodiging om de week erop te spreken bij de boekpresentatie van Therapiewinst (R.Layard & D.M.Clark).

Het werd mijn eerste lezing voor een openbaar publiek. In het theater De Nieuwe Liefde, in Amsterdam, vertelde ik mijn verhaal voor zo’n 100 mensen.

Na afloop ontving ik mooie reacties van de sprekers voor mij en vanuit het publiek. Die zaterdag kreeg ik de uitnodiging om de maandag daarop mee naar de staatssecretaris (Paul Blokhuis) van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) te gaan. Om het manifest en het boek Therapiewinst aan te bieden.

In de trein naar Den Haag bedacht ik me: het zou geweldig zijn als het de delegatie lukt mij naar binnen te smokkelen. Aangezien ik last-minute was toegevoegd, stond ik niet op de lijst. Stel dat ik ook de staatssecretaris nog een handje zou mogen geven, dan zou dat top zijn! De trein passeerde Schiphol. Ik dacht, straks vraag de staatssecretaris mij nog wat ik doe? Kan ik maar beter nu een antwoord verzinnen, ik heb nog even. Bij het ministerie van VWS aangekomen, stond er al een groot deel van de delegatie klaar. Ik voelde me super welkom binnen de groep. Een paar mensen ‘kenden’ mij van vrijdag. Ik hen niet, ze zaten in het publiek vrijdag. Vreemde gewaarwording, soort van beroemd zijn……

Het moment van de bewaking was daar. Alle ID-bewijzen inleveren voor controle. “Mevrouw, u staat niet op de lijst”. “Klopt”, zeg ik, “ik ben op het laatste moment uitgenodigd”. Na wat heen en weer gebel, mocht ik toch naar binnen. We kwamen op de vijfde etage aan, inmiddels waren de fotograaf en de reporter ook aangekomen. Paul (zeg maar ‘je’) kwam ons, zonder stropdas, halen en bracht ons naar de knusse kamer. Terwijl wij koffie en thee kregen, ging hij een stropdas halen (voor de foto). Drie mensen van onze delegatie hielden hun pleidooi voor Therapiewinst: “Vroege en juiste behandeling leidt tot economische en persoonlijke winst”. Paul luisterde aandachtig en stelde goede vragen. Toen vroeg hij of één van de dames nog wat wilde zeggen.

Mijn hart klopte in mijn keel, toen ik mijzelf hoorde zeggen dat ik ervaringsdeskundige depressie ben en dat ik wel wat wilde vertellen. We hadden een kort gesprek en Paul toonde oprechte interesse. Nadat we een fotosessie hadden gehad, van de aanbieding van het boek Therapiewinst, was ons kwartier voorbij en stonden we weer buiten. Een fantastische ervaring rijker.

Het was nog niet afgelopen. Een paar dagen later, kreeg ik een mail. Of ik mee wilde naar de Tweede Kamer!?! Slik. Natuurlijk wilde ik dat! Deze keer was het wel de bedoeling dat ik wat zou zeggen. Ik kreeg 3 minuten spreektijd en bereide mijn verhaal grondig voor. Op 3 juli 2018 zat ik weer in de trein naar Den Haag. Ik las mijn verhaal nog eens door en besloot het begin aan te passen met het “nieuws van de dag”: ‘meer zelfdodingen onder jongeren’. Een wat bruut begin, maar we waren daar tenslotte om indruk te maken, te pleiten voor economische en persoonlijke winst door o.a. tijdige en juiste behandeling.

Bij de Tweede Kamer aangekomen, gingen we door de beveiliging. Jasje uit, schoenen uit, riem af, spullen in de bak en door de scanner. Gelukkig was alles in orde. We werden begeleid naar de ‘passantenhal’ voor de ingang van de vergaderzaal van de Tweede Kamer. De voorzitster van de Kamercommissie VWS, hield haar openingspraatje.

Ik was niet zenuwachtig, maar ik merkte dat mijn last-minute aanpassing meer impact op mijzelf had dan verwacht. Ik trilde, voor mijn gevoel bibberde mijn stem enorm. Later hoorde ik dat ik rustig en duidelijk overkwam.

De Kamerleden stonden om mij heen en luisterde met interesse naar mijn verhaal. Na de speech was er een fotomoment, waarbij onze delegatie het manifest en het boek Therapiewinst aanboden aan de Tweede Kamerleden. Er was nog even tijd voor een persoonlijk gesprekje met een paar Kamerleden. Het zijn net mensen, met hun eigen persoonlijke ervaringen.
De voorzitster kwam de bijeenkomst afsluiten, de Kamerleden moesten door. Ik werd bedankt voor mijn verhaal. Ons kwartier was alweer voorbij. Onze delegatie sloot de bijeenkomst af met een kop koffie en een tevreden gevoel.

Een kettingreactie, die begon bij “Broodje kennis” en mij bracht tot bij de Tweede Kamerleden in Den Haag. Dit had ik nooit van tevoren kunnen bedenken. Ik zeg “ja” op elke kans die voorbij komt, om mijn verhaal te vertellen, in woord of in geschrift. Ik vind het elke keer weer spannend en/of kwetsbaar, afhankelijk van mijn stemming op dat moment. Ik blijf mijn verhaal vertellen. In eerste instantie was dit voor mijzelf, voor de erkenning en begrip. Tegenwoordig vooral voor de luisteraar/lezer, in de hoop bij te dragen aan het verbeteren van de zorg voor jou, voor jouw vrienden, familie, collega’s, en kennissen.

Home