Woordzoeker

Met het waakritme zit het wel snor, zo bleek deze week maar weer eens. Om mijn slaap/waak-ritme niet te verstoren, ga ik zoveel mogelijk rond dezelfde tijd naar bed en sta ik ook weer rond dezelfde tijd op. Hoe veel of weinig ik ook geslapen heb. Hoe moe of wakker ik ook ben.

Zo als gewoonlijk dook ik rond 23:30 mijn bed in. Vol verwachting. Mijn kamer was lekker fris, mijn bed lonkte. Moe, dus het zou wel goed komen met dat slapen vanavond. Na diverse uren van keren, draaien, snoozen, even een slokje water drinken, muziek luisteren, even naar het toilet, sliep ik nog altijd niet. Ik probeerde rustig te blijven, ik deed ademhalingsoefeningen, ik probeerde uit alle macht de paniek niet toe te laten.
Ik wilde niet weer een slaappil nemen met het risico dat die niet zou werken. Ik kon die teleurstelling er niet bij hebben. Om 3:30 dronk ik een beker hete melk met honing en maakte ik woordzoekerpuzzels. Drie woordzoekers later, dook ik weer mijn bed in en viel eindelijk in slaap.

Zo als gewoonlijk ging de wekker om 8:00 uur. Opstaan vergde een enorme wilskracht. Ik besloot niet te hard te zijn voor mezelf en nog een keer of twee (of drie…) te snoozen voor ik opstond. Ik lag niet relaxt. In mijn achterhoofd klonk een zeurderig stemmetje: “Je moet opstaan, anders verknal je je ritme!”.

Ik had die dag geen afspraken staan. Dat was mooi. Geen druk om iets te moeten presteren. Geen afspraken hebben is ook lastig. Lastig om de vele uren die de dag telt door te komen. Mijn hoofd bleef in de suffe, dikke watten modus staan. Ik doodde de tijd met wat TV kijken, een boek lezen, nog een beker thee maken, de concentratie was ver te zoeken. Onrust.

Ik ervaarde wat paniek: “er zitten nog zoveel uren in vandaag, hoe kom ik die door en hoe gaat dan de komende nacht zijn?” Ik ging terug naar mijn ‘survivalmodus’, stap-voor-stap. Minuut-voor-minuut, als het nodig is. Eerst thee met een vriendin. Dan avondeten maken. Dan de hond uitlaten. Dan bijkletsen met een vriendin en dan hopelijk De Slaap.

Ik besloot eerst een rondje te gaan rennen. Ik had mijn hardloopkleren al vast aangetrokken die ochtend. Ik zag niet zozeer op tegen het rennen zelf, ik zag op tegen de klus van douchen en omkleden na afloop. Net voordat ik de deur uit ging, schenen er een paar zonnestralen. “Zon” maakt in actie komen makkelijker. Misschien werd het toch een makkelijke dag. Net toen ik buiten stond begon het te druppelen en te waaien. Direct vervloog mijn hoop op een makkelijke dag. Ik ging toch, besloot ik. Misschien zou de wind, de mist in mijn hoofd doen verwaaien. Het zou in ieder geval een uur van deze dag vullen.

Ik concentreerde mij op mijn ademhaling, bleef rennen en probeerde zo rustiger te worden.

Teruggekomen overwoog ik het douchen uit te stellen tot de avond. Maar ik kreeg het koud en had met een vriendin afgesproken voor een bakkie thee. Dat spoorde mij aan om toch te gaan douchen. Weer een ‘klus’ gedaan en weer een half uurtje verder in de dag. Ik voelde geen voldoening of trots. Ik had simpelweg een klus van mijn ‘to-do-list’ kunnen strepen. Op naar de volgende klus.

Mijn lijf was onrustig die middag. Ik had al ‘zoveel klussen’ gedaan die dag en nog was het pas 17:00 uur. Mijn lijf kriebelde, gaf elektrische schokken af toen ik op de bank bij lag te komen, terwijl ik naar muziek probeerde te luisteren. Een middagdutje is geen optie (‘dat verknalt je slaap/waak-ritme’), muziek luisteren is een compromis. Ik vroeg me paniekerig af, als mijn lijf nu al zo jeukerig is, dan beloofd dat weinig goeds voor de komende nacht. Weer die angst. De angst om weer een nacht half wakker door te moeten. De angst om weer in de negatieve spiraal te belanden. Ik wilde janken, werd boos op mijzelf, op mijn lijf, op de wereld. Ik huilde niet. Ik vond dat ik mijzelf niet mocht laten meeslepen door de boosheid, dat ik mij niet mocht verdrinken in zelfmedelijden.

Uiteindelijk zou ook deze dag voorbij gaan.
Uiteindelijk zou ik ook deze dag overleven.
Uiteindelijk komt De Slaap wel weer.

Ik kan dit.
Ik heb het al vaak gedaan.

Home

Golfsurfen

“Doe je ogen maar dicht”, zei ze. Ik durfde niet. Bang was ik. Bang dat, als ik mijn ogen dicht zou doen, er weer een onaangename verassing zou volgen. Ik zat bij mijn psycholoog, in de spreekkamer, waar ik al talloze keren geweest ben. Waar ik diverse malen wél mijn ogen dicht heb gedaan, tijdens een oefening. Ik gaf mijzelf op mijn kop. Ik moest mij niet aanstellen. Gewoon mijn ogen dicht doen en meewerken aan de ‘rescripting-oefening’. “Het is goed”, zei de psycholoog. “Je hoeft jouw ogen niet dicht te doen, we vinden wel een andere manier”.

Ik had twee weken vol emotie achter de rug. De ene nare verassing volgde op de ander, juist terwijl ik dacht mijn leven weer wat te kunnen leven. Emoties komen als golven. Hoge, woeste, golven, waarbij ik niet op mijn surfplank kan blijven staan.

Mijn stemming is mat, niets is leuk, mijn trots is weg. Ik doe wat ik moet doen. Ik zit in de overlevingsmodus. Opeens ben ik ‘onverklaarbaar’ verdrietig en moe. Ik heb huilbuien. Ik val niet in slaap, of ik val wel in slaap en word vaak wakker. Het wordt moeilijker de dingen te blijven doen, ik zeg afspraken af, ik stel mijzelf teleur. Ik stel anderen teleur. Ik ga kopje onder.

Opeens vertelde ik mijn psycholoog dat ik de laatste tijd vaak met een nachtlampje aan slaap. Dat ik bang ben ’s nachts. Dat ik wel eens wakker word en het gevoel heb dat er iemand in de kamer staat. Ik schaamde me dood, ik durfde haar niet meer aan te kijken. Ik voelde me net een klein kind. Ze zegt me, dat ik juist prima voor mezelf zorg, door wél een lampje aan te laten. Als dit mij wat minder bang maakt, is dat goed, niet kinderachtig, gewoon goed.

Ik moest terugdenken aan een ervaring die ik had toen ik nog een klein meisje was. Ik wist zeker dat ik een oud mannetje op een schommeltje in mijn dakraampje zag zitten. Met een hoge hoed en een sigaar, een gerimpeld opaatje. Ik werd er bang van. Ik riep mijn moeder. Mijn moeder kwam en het mannetje verdween. Totdat mijn moeder weer wegging, dan kwam het mannetje terug. Ik heb mijn moeder een paar keer geroepen, het mannetje bleef terugkomen als zij wegging. Tenslotte zei het mannetje: “Ik ga nu weg, maar ik kom een keer terug”. Nachtenlang was bang, dat hij weer terug kwam. Hij is nooit teruggekomen, maar ik moet er nu (zo’n 35 jaar later) nog wel eens aan denken als ik ’s nachts bang wakker word.

Ik vertelde mijn psycholoog, tussen de tranen door, dat ik niet weet hoe ik op de golven moet surfen. Ik weet dat ik moet blijven wachten, tot de golven wat rustiger worden, dan kan ik weer op de plank blijven staan. Tot die tijd moet ik mij blijven vasthouden aan mijn plank. Ik heb het geduld niet om te wachten. Ik ben bang. Het gevoel van bijna kopje ondergaan is zo ontzettend beangstigend. Elke keer als een golf mij overspoelt, ben ik bang dat ik deze keer niet meer bovenkom.

We besluiten toch de rescripting-oefening te doen. Ik doe mijn ogen niet dicht, maar kijk naar de grond. De psycholoog vraagt me terug te gaan, naar een moment waarop ik als kind verdrietig was. “In gedachten ga ik terug naar het kind dat ik was, verdrietig liggend op mijn bed. De psycholoog vraagt me voor te stellen dat een vriendin de deur van mijn kamer open doet en naast mij op het bed komt zitten. De vriendin houdt me vast. Troost mij, zonder woorden. De tranen blijven stromen, na een kort moment van rust, neemt de hevigheid van de huilbui toe, uiteindelijk drogen de tranen op. De vriendin neemt me bij de hand, we gaan naar buiten, pakken de fietsen en gaan een flink eind tegen de wind over de dijk fietsen. Onze haren wapperen er op los, we voelen de wind in ons gezicht.“

Ik neem mezelf voor, om deze oefening te doen als ik me weer overvallen voel worden door verdriet. Overvallen door oud zeer, getriggerd door een situatie die ik niet zie aankomen. Ik kom die nacht niet in slaap en besluit toch een slaappil te nemen. Het nachtlampje blijft aan. Na een paar uur word ik de volgende ochtend vroeg wakker. Ik voel dat het verdriet minder is.

De golven zijn rustiger.

Home

Helpen is niets doen, ontvangen is niets doen

Ik ben wanhopig
Ik wil niet teleurstellen
Ik durf niet te vragen

Ik kan wel zélf koken
Ik kan wel zélf wandelen
Ik kan wel zélf overleven

Ik kan het wél alleen

Bang voor de afwijzing
Bang voor de rekening
Bang voor de teleurstelling

Bang dat ik jou een rotgevoel bezorg
Bang dat ik jou nog machtelozer maak

Ik sluit mij af
Ik verstop me
Ik trek me terug
Ik stoot je af

Helpen is niets doen
Geven, zonder vragen
Ontvangen is niets doen
Accepteren, zonder geven

Ik wil een knuffel
Ik kan het níet alleen

Ik krijg een knuffel
Ik accepteer een knuffel

Ik ben niet alleen

Home

Als je lijf je fopt

Het was een vrijdagmiddag. Ik zat in de bus naar Haarlem. Het was snikheet buiten en ijskoud in de bus. Ik volgde een middag cursus over “Lesgeven in groepen”. Ter voorbereiding op het begeleiden van de Herstelgroep Depressie die ik in het najaar mag starten. Ik was niet zenuwachtig, ik was niet gespannen. Ik keek uit naar de behandeling van mijn vraag: “hoe ga ik om met sterk aanwezige persoonlijkheden of juist stille mensen in de groep”, met andere woorden “hoe geef ik iedereen voldoende aandacht?”.

Voordat de cursus begon, ontmoette ik de andere deelnemers tijdens het wachten. Prettige mensen, ik voelde me op mijn gemak. De cursus begon en het voorstelrondje startte. Ontspannen luisterde ik naar het voorstellen en de vragen van de andere deelnemers. Ik nam mijn beurt en stelde me voor.

Mijn lijf schoot in de paniekstand. Ik kreeg het warm. Een stripfiguurtje in een tekenfilm, zou van beneden tot boven langzaam knalrood gekleurd zijn, terwijl het in een groeiend plasje zweet stond. Ik praatte door. In een split second vroeg ik mij af wat er nu gebeurde en vooral waarom. Deze reactie had ik lange tijd niet meer gehad. Ik schrok ervan. De volgende split second stelde ik mijzelf gerust. Paniek was niet nodig. Het was een prettige groep en ik was hier voor mijzelf. Geen prestatiedruk. De paniek trok wat weg. Ik maakte mijn 2 minuten praatje af.

Mijn lijf reageerde sterk, ik had dat niet verwacht. Ik voelde me overvallen, onprettig verrast. Mijn lijf herinnerde zich duidelijk nog alle onprettige trainingen en cursussen die ik tijdens mijn loopbaan als accountant gevolgd heb. Altijd was ik vooraf en tijdens zo’n training erg gespannen. Bang om mij voor te stellen. Bang voor de vraag, waar ik het antwoord niet op zou weten. Bang om dom gevonden te worden. Bang om uitgelachen te worden. Bang om te falen. Altijd bang. Altijd spanning. Dagen van tevoren al. Nu was de uitgangssituatie totaal anders. Geen druk, geen spanning vooraf.

Ik waande me veilig
Mijn lijf viel mij in de rug aan
Ik waande me veilig
Ik voelde me vrij
Ik waande me veilig
Moet ik een volgende keer weer alert zijn?
Ik waande me veilig
Zal ik maar niet meer gaan?
Ik waande me veilig
Komen lijf en hoofd ooit weer in balans?
Ik waande me veilig
Kan ik er op vertrouwen dat emoties komen en gaan?
Ik waande me veilig

Home

Van broodje kennis tot tweede kamer

In april 2017 startte ik met gesprekken met een arbeidsdeskundige. Mijn groepstherapie was afgelopen en mijn individueel therapeut ging naar een andere plek. Zij dacht dat het tijd was, dat ik weer aan het werk ging. Ik voelde me opgejaagd en onrustig. Aangekomen bij de arbeidsdeskundige gaf zij aan dat ze de ‘opdracht’ gekregen had mij binnen een week of zes te helpen. Ik voelde erg veel druk. Moest ik hier nu ook al weer weg, omdat de groepstherapie was afgelopen? Ik voelde me wanhopig, machteloos en depressief. Samen met de arbeidsdeskundige zocht ik naar wat ik zou kunnen en willen. Ik huilde bijna elke sessie, ik wist gewoonweg niet wat ik wilde. Ik wist wel dat ik me nog steeds enorm depressief voelde. Na een paar sessies kwamen we samen tot de conclusie dat het nog te vroeg was om terug naar een concrete baan te gaan. Zij gaf mij de tip om de cursus “Werken met Eigen Ervaring” te gaan volgen. Een laagdrempelige cursus van twaalf wekelijkse bijeenkomsten.

Ik besloot de cursus te gaan volgen. Het gaf mij voor één middag per week dagbesteding en misschien zou de cursus mij wat richting geven. Ik kwam terecht in een prettige groep, ieder met zijn eigen psychische kwetsbaarheid. Belangrijk was dat ik daar gewoon met mijn depressieve hoofd mocht zijn. Als ik even niet actief mee kon of wilde doen, was dat prima, dan mocht ik gewoon luisteren.

In de laatste lessen vertelde elke deelnemer zijn/haar ervaringsverhaal. De vorm was vrij, de enige beperking was, dat het in een minuut of tien moest passen. Ik koos ervoor mijn verhaal te vertellen met behulp van een PowerPointpresentatie met klimfoto’s. Het voelde enorm bevrijdend om vrijuit mijn verhaal te kunnen vertellen. Ik vertelde waar ik last van had, ik vertelde hoe ik depressief zijn ervaar. Ik vertelde hoe hoop en wanhoop zich afwisselde. In december 2017 vierde ik met de groep de diploma-uitreiking met kerstkransjes en Jip & Janneke champagne.

Ik liet mijn therapeuten mijn presentatie zien en horen. Het maakte indruk op hen. Ik voelde me gezien en gehoord. Mijn therapeute nodigde mij uit om tijdens hun maandelijkse lunchbijeenkomst “Broodje Kennis” mijn ervaringsverhaal te vertellen. Ik vond het heel spannend, maar besloot op haar uitnodiging in te gaan.
Het was een ontzettend mooie ervaring. De behandelaren waren onder de indruk van mijn verhaal. Er kwam een discussie op gang omtrent euthanasie. Er werd om mijn mening gevraagd en die mening werd vervolgens ook nog gerespecteerd en als advies ter harte genomen.

Vervolgens startte er een kettingreactie. Uit de ‘Broodje-Kennis-groep’ volgden meer uitnodigingen. Ik mocht spreken voor cliënten, voor behandelaren, ik mocht o.a. spreken tijdens een gastcollege op de Vrije Universiteit in Amsterdam. Elke keer ontving ik positieve reacties. Ik raakte mensen met mijn verhaal. Ik gaf mensen een kader, herkenning en bood ruimte voor hun vragen.

Op een vrijdagmiddag in juni 2018, kwam er een uitnodiging om de week erop te spreken bij de boekpresentatie van Therapiewinst (R.Layard & D.M.Clark).

Het werd mijn eerste lezing voor een openbaar publiek. In het theater De Nieuwe Liefde, in Amsterdam, vertelde ik mijn verhaal voor zo’n 100 mensen.

Na afloop ontving ik mooie reacties van de sprekers voor mij en vanuit het publiek. Die zaterdag kreeg ik de uitnodiging om de maandag daarop mee naar de staatssecretaris (Paul Blokhuis) van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) te gaan. Om het manifest en het boek Therapiewinst aan te bieden.

In de trein naar Den Haag bedacht ik me: het zou geweldig zijn als het de delegatie lukt mij naar binnen te smokkelen. Aangezien ik last-minute was toegevoegd, stond ik niet op de lijst. Stel dat ik ook de staatssecretaris nog een handje zou mogen geven, dan zou dat top zijn! De trein passeerde Schiphol. Ik dacht, straks vraag de staatssecretaris mij nog wat ik doe? Kan ik maar beter nu een antwoord verzinnen, ik heb nog even. Bij het ministerie van VWS aangekomen, stond er al een groot deel van de delegatie klaar. Ik voelde me super welkom binnen de groep. Een paar mensen ‘kenden’ mij van vrijdag. Ik hen niet, ze zaten in het publiek vrijdag. Vreemde gewaarwording, soort van beroemd zijn……

Het moment van de bewaking was daar. Alle ID-bewijzen inleveren voor controle. “Mevrouw, u staat niet op de lijst”. “Klopt”, zeg ik, “ik ben op het laatste moment uitgenodigd”. Na wat heen en weer gebel, mocht ik toch naar binnen. We kwamen op de vijfde etage aan, inmiddels waren de fotograaf en de reporter ook aangekomen. Paul (zeg maar ‘je’) kwam ons, zonder stropdas, halen en bracht ons naar de knusse kamer. Terwijl wij koffie en thee kregen, ging hij een stropdas halen (voor de foto). Drie mensen van onze delegatie hielden hun pleidooi voor Therapiewinst: “Vroege en juiste behandeling leidt tot economische en persoonlijke winst”. Paul luisterde aandachtig en stelde goede vragen. Toen vroeg hij of één van de dames nog wat wilde zeggen.

Mijn hart klopte in mijn keel, toen ik mijzelf hoorde zeggen dat ik ervaringsdeskundige depressie ben en dat ik wel wat wilde vertellen. We hadden een kort gesprek en Paul toonde oprechte interesse. Nadat we een fotosessie hadden gehad, van de aanbieding van het boek Therapiewinst, was ons kwartier voorbij en stonden we weer buiten. Een fantastische ervaring rijker.

Het was nog niet afgelopen. Een paar dagen later, kreeg ik een mail. Of ik mee wilde naar de Tweede Kamer!?! Slik. Natuurlijk wilde ik dat! Deze keer was het wel de bedoeling dat ik wat zou zeggen. Ik kreeg 3 minuten spreektijd en bereide mijn verhaal grondig voor. Op 3 juli 2018 zat ik weer in de trein naar Den Haag. Ik las mijn verhaal nog eens door en besloot het begin aan te passen met het “nieuws van de dag”: ‘meer zelfdodingen onder jongeren’. Een wat bruut begin, maar we waren daar tenslotte om indruk te maken, te pleiten voor economische en persoonlijke winst door o.a. tijdige en juiste behandeling.

Bij de Tweede Kamer aangekomen, gingen we door de beveiliging. Jasje uit, schoenen uit, riem af, spullen in de bak en door de scanner. Gelukkig was alles in orde. We werden begeleid naar de ‘passantenhal’ voor de ingang van de vergaderzaal van de Tweede Kamer. De voorzitster van de Kamercommissie VWS, hield haar openingspraatje.

Ik was niet zenuwachtig, maar ik merkte dat mijn last-minute aanpassing meer impact op mijzelf had dan verwacht. Ik trilde, voor mijn gevoel bibberde mijn stem enorm. Later hoorde ik dat ik rustig en duidelijk overkwam.

De Kamerleden stonden om mij heen en luisterde met interesse naar mijn verhaal. Na de speech was er een fotomoment, waarbij onze delegatie het manifest en het boek Therapiewinst aanboden aan de Tweede Kamerleden. Er was nog even tijd voor een persoonlijk gesprekje met een paar Kamerleden. Het zijn net mensen, met hun eigen persoonlijke ervaringen.
De voorzitster kwam de bijeenkomst afsluiten, de Kamerleden moesten door. Ik werd bedankt voor mijn verhaal. Ons kwartier was alweer voorbij. Onze delegatie sloot de bijeenkomst af met een kop koffie en een tevreden gevoel.

Een kettingreactie, die begon bij “Broodje kennis” en mij bracht tot bij de Tweede Kamerleden in Den Haag. Dit had ik nooit van tevoren kunnen bedenken. Ik zeg “ja” op elke kans die voorbij komt, om mijn verhaal te vertellen, in woord of in geschrift. Ik vind het elke keer weer spannend en/of kwetsbaar, afhankelijk van mijn stemming op dat moment. Ik blijf mijn verhaal vertellen. In eerste instantie was dit voor mijzelf, voor de erkenning en begrip. Tegenwoordig vooral voor de luisteraar/lezer, in de hoop bij te dragen aan het verbeteren van de zorg voor jou, voor jouw vrienden, familie, collega’s, en kennissen.

Home

Een Thais grottenstelsel

Ik bevind me ondergronds, in een grottenstelsel. Het is er donker, nat en koud. Om mijn warmte vast te houden, maak ik mij zo klein mogelijk. Opgetrokken knieën, mijn armen om mijn knieën heen. Net zo lang tot ik niet meer ril. Dan stijgt het water en moet ik watertrappelen. Ik houd mijn hoofd net boven het water, ik heb sterke benen. Ik weet dat ik moet blijven watertrappelen.

Ik studeer, ik sport, ik werk jarenlang als accountant en ik voel me ongelukkig. Vrijwel altijd. Niemand die het opmerkt.

Ik voel mijn beenspieren zwakker worden, ik besluit te kijken of ik naar een andere ‘zaal’ kan zwemmen, misschien kan ik ergens uitrusten. Ik zwem tegen de stroom in en vind een klein rotspuntje. Daar ga ik op zitten. Ik zit daar, duidelijk zichtbaar, in mijn eentje, kou te lijden.

Ik ga aan de pillen, ik bezoek een aantal psychologen. Ik denk dat zij mij kunnen helpen. Ik volg alle tips op die zij mij geven. Ik blijf werken, ik blijf sporten, ik blijf niet in mijn bed liggen. “Men” zegt dat het nu beter met mij gaat. Ik merk niets, mijn stemming blijft beroerd. Maar blijkbaar gaat het beter met mij, ik voel me onbegrepen.

Er drijft een dunne trui voorbij. Ik krijg hem te pakken. Wring hem uit en trek hem aan. Het is een wollen trui. Na een tijdje droog ik op en krijg het wat warmer op mijn rotspuntje. Plotseling breekt het rotspuntje af. Ik beland weer in het water en drijf met de stroom mee. Ik zie wat licht, maar kan er niet naar toe zwemmen, er is een sterke onderstroom. Ik zie een duiker staan in het licht. Ik roep heel hard, dat ik het niet meer vol hou, ik voel dat ik aan het verdrinken ben. De duiker zegt, dat ik nog een stukje door moet zwemmen, om de hoek staat een zuurstoffles. Ik strek mijn hand uit naar de duiker en vraag haar mij te komen halen, ik kan echt niet meer….. De duiker roept dat ik vol moet houden. Ik ga kopje onder, kom boven en drijf weer weg van de uitgang. Ik bots tegen een rotsblok aan dat mij de linker gang in stuurt en ik kom in een nieuwe zaal. Ik word uit het water getrokken en op het droge geholpen. Ik heb het berenkoud en ben zo moe. Ik krijg een T-shirt tegen de kou. Dat helpt wat.

Ik zeg mijn psycholoog dat het niet meer gaat, ik hou het niet meer vol. Ze moet me “nu” helpen. Ik vraag om een overleg tussen psychiater, huisarts en psycholoog. De psychiater en psycholoog besluiten onderling dat dat niet nodig is. Ik moet volhouden, het wordt vast beter. Ik ga zelf naar de huisarts, zij doet ontzettend veel moeite voor me en krijgt me in de crisisopvang. Ik krijg andere pillen. Ik moet aangeven waar ik behoefte aan heb. Rust. De Dood. Dat wil ik. Dat is geen optie. Ik weet het echt niet meer. Ik wil warmte, echt contact, een luisterend oor. Ik krijg een bed, pillen, protocol, dagbesteding.

Na een tijdje begin ik weer te bibberen, het T-shirt is niet warm genoeg. Ik wil zo graag een dikke trui en een warme joggingbroek. Ik besluit weer in het water te springen, op zoek naar een andere zaal, wellicht vind ik daar de dikke trui en warme joggingbroek. Ik zwem dieper de grot in en kom in een grote zaal. Ik klim op het droge en wacht. Ik hoor geboor van boven af. Ze zoeken mij. Ik zie flitsen licht als de boren door het dak van de grot komen. Het licht geeft mij de hoop op redding. Er worden vele schachten geboord, maar ik kan niet bij het licht komen. Ik laat mij weer wegdrijven.

Ik geef aan dat ik geen pillen meer wil. Ik wil dood of een oplossing die werkt. De artsen lijken eindelijk met mij mee te willen denken. Niet weer nieuwe pillen. Ze opperen de mogelijkheid van ECT (ElectroConvulsieTherapie). Ik lees me in. Ik zie het zitten. Hoge succes kans. Beperkte risico’s. Mijn enige mogelijkheid. Ik verhuis naar het ziekenhuis, ik krijg 13 ECT behandelingen. Ze helpen niet. Ik mag weer naar huis. Alleen.

Ik ga weer watertrappelen. Mijn benen zijn nog relatief sterk. Ik zwem diverse gangen in. De meeste lopen dood, ik zwem weer terug en probeer een nieuwe gang. Ik zie een oude reddingslijn, hier moeten meer mensen geweest zijn. Ik volg de lijn en kom weer in een zaal, vol met mensen in warme truien en joggingbroeken. Ik zie de kleding liggen, maar ik kan er niet bij. De mensen vertellen mij hoe heerlijk het is met een warme trui en joggingbroek. Ze vergeten me te vertellen, dat ik eerst om de rotsformatie heen moet zwemmen, de stenen trap op moet klimmen om zo bij de warme kleding te komen.

Ik ga weer werken en sporten. Ik onderga meer onderzoeken. Er blijkt een geschikte therapie te zijn. Ik ga op intake, ik mag er niet heen, want ik ben te depressief om daar behandeld te worden. Uiteindelijk krijg ik een plaats in een groepstherapie voor chronisch depressieve mensen. Ik leer er van alles, maar mijn stemming verbetert helaas niet.

Het water is inmiddels wat warmer geworden, ik moet dus dichter bij een uitgang zijn. Ik laat me meedrijven met de stroming. Ik zie een uitgang en ik zie twee duikers. De duikers hebben een enorm zoeklicht. Het zoeklicht valt op mij. Ze zien mij. Ze vragen of ik naar hen toe kan zwemmen. Ik zeg hen dat het me niet lukt. Ik heb geen kracht meer over. Ze aarzelen geen moment en springen het water in. Ze nemen een extra zuurstoffles mee. Zorgzaam zetten ze mij een zuurstofmasker op. Eentje zwemt er voor mij en houdt mijn hand vast. De ander zwemt achter mij en zorgt ervoor dat mijn zuurstoffles niet vast komt te zitten in de nauwe gang. Ik worstel met het ademhalen in het zuurstofmasker. Het lukt ons niet om met zijn drieën door de nauwe gang te komen. Ze laten me niet achter. We zwemmen een stukje terug en proberen een nieuwe gang. Deze is wat breder, maar leidt niet naar de uitgang. Weer laten ze me niet in de steek. Ze controleren of mijn zuurstoffles nog voldoende lucht heeft. Ik krijg een andere duikbril op. Ze wisselen van positie. Continu blijven ze bij mij.
We rusten uit op een rotspuntje. Ik geef aan dat ik helemaal stuk ben. Dat ik niet meer wil zwemmen. Ik ben klaar om het op te geven. Gezamenlijk besluiten we nog één poging te doen. Als we dan de uitgang niet vinden, zullen ze bij mij blijven, tot mijn zuurstof op is. We controleren een laatste keer de duikuitrusting. Ze leggen me deze keer erg duidelijk uit hoe ik moet ademhalen door het masker. We springen weer in het water. We zwemmen een nieuwe gang in. Het ademhalen gaat, na de uitleg, beter. Deze gang was verborgen, het leek onmogelijk om erdoor te komen, we doken omlaag in plaats van omhoog.
We zien het licht, de uitgang. Ineens zijn we in de open zee.
We kunnen alle kanten op.

Via de groepstherapie vind ik twee therapeuten die, na vele sessies, begrijpen waarom mijn stemming niet verbetert. Er is erkenning, herkenning, vertrouwen, bevestiging en vooral heel veel geduld en warmte. In vele kleine stapjes wordt mij de basis van het leven uitgelegd: De emoties.

Ik voel de kracht van de golven. Ik word nog regelmatig ver terug de grot in geslingerd. Gelukkig zit ik stevig vast aan mijn reddingslijn. Als ik deze reddingslijn blijf volgen, kom ik weer in open zee. Ik word sterker en zwem iedere keer net een stukje verder de zee op. Af en toe kom ik een eilandje tegen en rust ik wat uit. Ik doorsta sterke stormen en kom steeds dichter bij de kust. De kust die ik in de verte zie.

Door de basisbeginselen van het leven te onderzoeken en te begrijpen, maak ik kleine stapjes. Ik krijg de gelegenheid om mijn ervaringsverhaal te vertellen. Eerst voor een veilige kleine groep. Er volgen meer uitnodigingen. Het spreken doet mij goed. Het is goed voor mijn eigenwaarde en geeft mij een hoop zelfvertrouwen. Het doet me ook goed dat anderen profijt hebben van mijn verhaal. Ik ben er nog niet. Ik watertrappel nog regelmatig, ik ga af en toe kopje onder. Ik heb mijn reddingslijn. Ik heb de kustlijn in het vizier.

Home